Volkskrant Magazine

Posted by on nov 15, 2009 in Geen categorie, werk | Reageren uitgeschakeld

Volkskrant Magazine

De Amerikaan Colin Beavan leefde een jaar lang zonder het milieu te belasten. Zijn experiment, waarover een documentaire gemaakt werd, kreeg overal ter wereld navolging. Dat wil zeggen: mensen probeerden een week zo te leven. Journaliste Marie-Claire van den Berg deed het ook. ‘Het verwarrende is dat afval soms minder slecht is dan je zou denken.’

Ik ben verslaafd aan cosmetica, heb een zwak voor tassen en gadgets en rij graag om voor een latte van de Coffee Company. Ik ben een grootverbruiker van luierdoekjes, snoetenpoetsers, schoonmaakdoekjes en tissues. Als het even miezert, spring ik al in de auto. Ik eet zeker één keer in de week een Japanse, Thaise of Chinese afhaalmaaltijd en sla kilo’s ingevlogen groenten en exotische vruchten in bij de supermarkt. Wanneer het kwik onder zestien graden daalt, gaat mijn thermostaat naar twintig en op een sombere dag laat ik ook overdag mijn lampen (waarvan een kwart spaarlamp) aan.
Tegelijkertijd hou ik mijn adem in als ik de verontrustende nieuwsberichten over het milieu lees. Toen ik de klimaatfilm ‘The Age of Stupid’ zag waarin de toekomst van ons klimaat allesbehalve rooskleurig wordt voorspeld, sprak ik met mezelf af dat ik mijn leven zou beteren. De internationale klimaattop in Kopenhagen is belangrijk, maar ik mag mijn eigen klimaatdoelstellingen ook wel wat beter onder de loep nemen.

No Impact Man
Beavan’s boek lijkt de perfecte uitdaging. Voordat hij in 2007 aan zijn no impact experiment begon, leefde hij een ‘gewoon’ leven als schrijver van non-fictie geschiedenisboeken. Hij had een appartement in New York met zijn eveneens schrijvende vrouw Michelle en dochtertje van twee. Beavan omschrijft zichzelf graag als de schuldbewuste progressief en zijn vrouw als een kopie van Carrie Bradshaw uit Sex and the City. Als zij thuiskwam met een bontsjaal, begon hij te zwaaien met actiefolders van de dierenrechtenorganisatie PETA. Als zij de televisie aanzette voor haar soapverslaving, begon hij te preken over het uitsterven van de ijsberen. Maar daar bleef het bij. Tot hij op een gegeven moment zo ziek werd van zichzelf dat hij besloot met vrouw en kind een jaar lang op geen enkele manier het milieu te belasten. In grote lijnen kwam dat neer op: geen afval produceren, elektriciteit verbruiken, televisie kijken of autorijden en alleen maar ecologische producten kopen die niet verder dan 400 kilometer van zijn appartement kwamen. Op internet hield hij een weblog bij en er kwam een documentaire over zijn experiment met lovende recensies. Alle kranten schreven over hem en iedereen wilde weten hoe hij een jaar lang zonder toiletpapier had geleefd. Want dat is met stip een van de extreemste beslissingen die hij nam.
Zo werd Beavan beschuldigd van hypocriet gedrag: als je een jaar lang een weblog schrijft over hoe je klimaatneutraal moet leven, waarom druk je dat dan alsnog af op dode bomen? The New York Times was ook niet onverdeeld enthousiast en noemde zijn project ‘op zijn best een scène uit een ouderwetse komedieserie en op zijn slechtst een moreel verdachte poging tot zelfverheerlijking’.
Aan de andere kant heb je soms juist hele extreme acties nodig om iets los te maken. Dankzij Beavan’s experiment organiseerde de populaire Amerikaanse opiniesite Huffingtonpost het collectieve ‘No Impact Project’ waarvoor duizenden lezers een week klimaatneutraal probeerde te leven. Vorige maand werd de tweede ‘no impact week’ gehouden en nog steeds melden zich nieuwe mensen aan. Als al die mensen daar een beetje milieubewuster door gaan leven, is zo’n overdreven ego-project weer wél geoorloofd.

Dag 1
In alle vroegte sta ik met een washandje bij de wastafel in plaats van onder de warme douche. Ik ben meteen wakker, maar ook boos op de kou die mijn humeur verpest. Tegenvaller nummer twee dient zich aan in de keuken. Uit automatisme loop ik naar mijn energie-slurpende espressoapparaat en bedenk dat de no impact regels dat niet toelaten. Thee is ook geen optie, want dat wordt met scheepsladingen vanuit landen als China en India hierheen vervoerd. De sinaasappels op het aanrecht komen uit Spanje (vrachtwagen) en zitten in een net (afval) en dus ben ik veroordeeld tot een glas biologisch diksap.
Voordat ik mijn milieuvriendelijke boodschappen ga doen, keer ik mijn laatste bomvolle vuilniszak om om te zien wat ik de afgelopen dag heb weggegooid. Het resultaat is beschamend: drie bakken afhaal Thai (met de helft van het voedsel er nog in), bierblikjes, een plastic sinterklaas waar chocolaatjes in hebben gezeten, een dozijn wegwerpluiers, een halve komkommer, een ongeopende zak soepgroente, plastic, zilverfolie, bakjes, zakjes en een gebarsten koffiepot.
Gewapend met de groente- en fruitkalender van de consumentenorganisatie Milieucentraal, de vleeswijzer van Milieudefensie en mijn klimaatneutrale boodschappenlijst ga ik naar de biologische supermarkt. Maar na anderhalf uur heb ik mijn missie nog niet volbracht. Aardappelen en appels kan ik nog los in mijn boodschappenkar leggen, maar verder is alles verpakt. Bij de broodafdeling kijkt de verkoper me meewarig aan als ik vraag of hij het zakje van mijn brood wil halen. Ik voel me belachelijk, want ik weet dat het zakje nu alsnog de prullenbak ingaat.
Ook over de herkomst van de producten word ik amper wijzer. En zelfs áls ik iets uit de regio heb gevonden, is het nog milieubelastend. Kaas bijvoorbeeld. Ook al is het ‘maar een bijproduct’, de veehouderij is wereldwijd goed voor achttien procent van de uitstoot van broeikassen. Maar een vleesvervanger als soja komt uit Zuid-Amerika en draagt dus ook bij aan de CO2-uitstoot. Het voelt als zoeken naar een speld in een hooiberg. En ik heb steeds meer het idee dat deze supermarkt de verkeerde hooiberg is.
‘s Middags ben ik uitgenodigd op een buurtfeestje. Mijn cadeau, een verantwoord houten puzzel zonder giftige kleurstoffen, pak ik in volgens de Japanse furoshiki instructies die ik op internet heb gevonden: ik scheur een vierkante lap stof van een afgedankt bloemetjes laken en knoop het om de puzzel heen. Van hetzelfde laken scheur ik ook meteen een stapel lapjes af die dienst kunnen doen als luierdoekjes en wc-papier. Over hoe Beavan zijn wc-bezoek afsloot laat hij zich niet uit. Dat ergert me. Als je zo publiekelijk no impact gaat, wil ik ook weten hoe je je kont afveegt. Ik kies in elk geval voor een provisorisch bidet en de lapjes van mijn afgedankte laken.

Dag 2
Samen met mijn driejarige dochter Donne trek ik demonstratief alle stekers uit het stopcontact. Ook de koelkast gaat uit. Mijn Wattcher – een gadget dat je stroomverbruik in huis meet – geeft aan dat er ergens nog steeds een paar honderd watt wordt verbruikt. Na een lange zoektocht stuit ik op de vriezer in de schuur. Ik kom er misschien één keer in de maand en er zit voldoende voedsel in voor drie avondmaaltijden. Omdat ik mijn no impact experiment niet meteen teniet wil doen door mijn vergeten voedselvoorraad weg te gooien, geef ik het aan de buren.
Voor mijn werk bij het programma Radio Online ben ik wekelijks met nieuwe energieverslindende gadgets in de weer en kan ik eigenlijk niet zonder elektriciteit. Helaas is zelfs de groene stroom van mijn energieleverancier (dat had ik dan weer wel) niet 100 procent impactloos en dus moet ik op zoek naar alternatieven. Op internet heb ik een gadget besteld waarmee ik mijn andere gadgets van stroom kan voorzien. Desolargorilla, een draagbare lader gemaakt van zonnepanelen, wordt zelfs door het Britse leger in Afghanistan gebruikt. Dat zit vast goed. Maar aan het einde van de dag is de batterij van mijn laptop maar drie procent extra geladen. Het Hollandse waterige zonnetje is te zwak. Ook de HYmini, een appelgroen batterijtje met ingebouwde windmolen dat je fietsend oplaadt, zet geen zoden aan de dijk. Als ik hem op mijn auto zou monteren zou ik genoeg rijwind hebben voor een volle batterij, maar de klimaatschade van zo’n autorit is veel groter dan de opbrengst groene stroom. Er zit niets anders op: om dit artikel te kunnen schrijven mag ik mijn laptop en telefoon thuis opladen.

Dag 3
Geen afval betekent ook geen wegwerpluiers. Mijn twee kinderen moeten dus aan de katoenen luiers. De informatie op Kaatjekatoen.nl (katoenen luiers zijn uiteindelijk goedkoper, beter voor het milieu en je kind wordt er eerder zindelijk van) is hoopgevend. Katoenen luiers lijken ook veel meer op wegwerpluiers dan ik had verwacht. Het enige probleem is dat ik ze met de hand moet wassen. Op aanraden van Beavan stampen we met blote voeten door het laagje koude water in de badkuip om het ecowasmiddel te laten intrekken. Het is een regelrechte rotklus. Bovendien twijfel ik of katoenen luiers echt voordeliger zijn voor het milieu. Volgens Milieucentraal zijn ze de beste keuze, als je ze op 30 graden of de ecostand wast, maar op internet lees ik dat er ook manieren zijn om wegwerpluiers te composteren en er groene stroom van te maken. Dat gebeurt bijvoorbeeld in Lelystad. Als het werkelijk zo zou zijn dat mijn lampen kunnen branden dankzij de poepluiers van mijn kinderen, dan zijn die wegwerpdingen misschien zo gek nog niet.

Dag 4
Ik heb een biologische boer gevonden die het hele jaar rond zijn eigen groenten verkoopt en er een kleine supermarkt bij runt. Ik moet er een halfuur voor door de regen fietsen, maar die inspanning wordt beloond met Gooise walnoten, Limburgse hazelnootpasta en veel verse, onverpakte en onbespoten groenten. Op de terugweg fiets ik langs de poelier. ‘Wild en gevogelte’ staat er op de pui. Dat vlees desastreus is voor het klimaat weet ik, maar echt Nederlands wild is niet gefokt in kleine hokken of vetgemest met al dan niet gemanipuleerd voer. Dat is geboren en getogen in de bossen en neergeschoten door een jager. En zo komt het dat er bovenop mijn verse groenten ook een milieuvriendelijke fazant mee naar huis reist.
Mijn zoektocht naar klimaatneutraal eten heeft zo lang geduurd dat ik in het donker thuiskom. En die vroege duisternis valt zwaar. Ik heb kaarsen altijd met gezelligheid geassocieerd maar koken bij kaarslicht is een ander verhaal. Ik zie niet goed wat ik doe, het is koud en mijn spieren zijn moe van het fietsen. Ik snak ernaar om met een kop warme koffie en mijn voeten tegen de verwarming De Wereld Draait Door te kijken, maar dan zou ik vals spelen.
‘s Avonds geeft de buurvrouw me de muntplant uit haar tuin zodat ik thee kan zetten. Ik doe er een lepel Hollandse polderhoning bij en het smaakt beter dan alle thee die ik de afgelopen maanden heb gedronken.

Dag 5

Geen afval produceren is moeilijker dan ik dacht. De krant heb ik een week stopgezet en het geld dat ik daarmee bespaar gaat naar een goed doel. Maar ondanks mijn nieuwe ‘nee nee’ sticker op de brievenbus valt er nog steeds ongewenste post op de mat. Speciaal voor dit experiment heb ik online een paar flessen biologische wijn uit Wageningen besteld. Ze smaken veel beter dan de vlierbessenwijn van de biologische winkel, maar ik zit wel met een gigantische doos vol plakband die speciaal voor mij naar mijn huis is gereden. Op mijn werk gaat er nog meer mis. Ik heb besloten één keer een kop koffie te drinken, maar als ik mijn mok klaarzet, spuugt de machine tot mijn verontwaardiging alsnog een plastic bekertje uit. Het is maar één bekertje, maar ik voel me er oprecht schuldig over.

Het verwarrende is dat afval soms minder slecht is dan je zou denken. Het plastic om komkommers bijvoorbeeld, zorgt ervoor dat ze langer houdbaar zijn en dus minder snel weggegooid hoeven te worden. Maar dit soort details kun je als consument onmogelijk bijhouden. De vleeswijzer en groente- en fruitkalender geven lang niet genoeg inzicht in de ecologische voetafdruk van onze producten. Gelukkig zijn er steeds meer organisaties die werken aan nieuwe manieren om de herkomst en productiewijze van ons voedsel in kaart te brengen. Zo is er op dit moment een sociale website en een mobiele dienst in de maak waarmee consumenten hun producten in de supermarkt op duurzaamheid kunnen scannen. Als dat doorgaat, hoef ik straks alleen maar even mijn iPhone over een pak sla of een zak chips te halen om te weten of het met respect voor het milieu is vervaardigd.

Dag 6

Beavans pogingen impactloos te leven gaan soms zo ver dat ik moeite moet doen mijn groene motivatie vol te houden. Zo composteerde hij zijn restafval in een wormenbak in zijn keuken. Maar de gedachte dat er in mijn keuken een bak krioelende wormen aan mijn appelschillen knabbelt terwijl ik op de bank een boek lees maakt me misselijk. Een andere overdreven no impact regel: Beavan poetste zijn tanden (en  fornuis!) met zuiveringszout. Om geen spelbreker te zijn schaf ik een pot aan. Het is smerig. De allesreiniger die ik met hetzelfde zuiveringszout maak, reinigt nauwelijks.

Dag 7

Na vier dagen aan de waslijn zijn de dikke katoenen luiers nog niet droog. Daarbij is Donne ziek geworden en ligt ze rillend van de kou in bed. Mijn moedergevoel wint het van mijn no impact voornemens. Ik zet heel even de verwarming aan. Maar met die actie slaat de verwarring toe. Opeens twijfel ik aan het nut van alles wat ik tot nu toe heb gedaan. Wat is eigenlijk schadelijker: een was draaien op 30 graden of zelf wassen in de badkuip? Met het koude water in het bad verbruik ik geen stroom, maar mijn wasmachine verbruikt misschien wel minder water. En hoe zit het met mijn verlichting? Mijn kaarsen zijn weliswaar van bijenwas, maar stoten wel CO2 uit die ik niet kan afvangen. Een ledlamp van 1,6 watt brandt op stroom uit centrales waar de CO2 wél wordt afgevangen of gecompenseerd. Een glazen fles kan ik terugbrengen, maar moet gewassen worden voor hergebruik en dat kost veel energie. Kartonnen pakken gooi je weg, maar die worden steeds effectiever verbrand.

Dag 8

Nooit gedacht dat ik nog eens zou genieten van mijn eigen afval. Waar ik normaal zo’n tien kilo per week weggooi, heb ik nu hooguit een halve kilo geproduceerd. Daar heb ik wel keihard voor moeten werken. Met twee kleine kinderen en twee fulltime banen is het een mission impossible om altijd zo te leven.
Volgens deskundigen heb je twee tot zes maanden nodig om je gewoontes echt te wijzigen, maar bij mij is er wel degelijk iets veranderd. Het voelt alsof ik een ontgiftingskuur heb gedaan, maar dan voor mijn milieubewustzijn. Ik let veel beter op de herkomst en verpakking van mijn boodschappen. Ik heb ik ontdekt dat ik mijn vriezer helemaal niet nodig heb en dat het ook lekker warm is als ik gewoon een vest aantrek. En ik heb gemerkt dat vier dagen minder vlees eten reuze meevalt. Als iedereen van zeven naar drie dagen vlees zou gaan, staat de milieuwinst trouwens gelijk aan de besparing van het elektriciteitsverbruik van álle Nederlandse huishoudens. En zelfs met één dag minder vlees doen we al iets goeds. Die besparing komt overeen met het vervangen van alle gloeilampen door spaarlampen.
Bovendien heeft het no impact project ook andere voordelen: één keer per week naar de boer fietsen is een verademing vergeleken bij de kwelling van rond spitsuur in de supermarkt lastminute boodschappen doen. En ik was vergeten hoe leuk het is om samen af te wassen.

Als beloning voor mijn nieuw verworven inzichten fiets ik naar de stad om aan mijn tassen-verslaving toe te geven. Het lukt niet, de opdringerige feestdagen-marketing staat me opeens vreselijk tegen. Tot ik een stapel zilverkleurige gerecyclede shoppers zie. Vijf minuten later fiets ik lachend tegen de koude wind in naar huis met over mijn schouder een tas bedrukt met een wijsheid van Jules Deelder: ‘Dat je teweegbrengt is van meer belang dan wat je teweegbrengt’.